skip to Main Content

Behandeling

Het op maat maken van de behandeling is een vereiste, er kan geen sprake zijn van één universeel optimaal behandelprogramma. Bij het maken van een behandelprogramma vraagt het REACH netwerk aandacht voor een aantal aspecten: 1) maak passende keuzes uit bestaande fysiotherapeutische interventies, denk met name aan de behandeling van COPD, hart en oncologische patienten, 2) hou rekening met de soms erg laag belastbare situatie van patienten en 3)  screen de patient herhaaldelijk op problematiek buiten het domein van de fysiotherapie. Hierbij wordt expliciet gedacht aan diëtiek, ergotherapie, psychologie, maatschappelijk werk en arbeidreintegratie. Vanuit het REACH netwerk is besloten om de behandeling op te splitsen in 3 verschillende fasen.

Fase 1: De thuisfase

Na ontslag uit het ziekenhuis wordt altijd, zo snel als wenselijk, een eerste afspraak in de thuissituatie van de patiënt gepland. Tevens wordt afgesproken wat de thuisbehandelfrequentie is en wordt besproken of er nog aanvullende ondersteuning nodig is. De behandelfrequentie zal bij aanvang laag zijn, eventueel telefonisch, en op geleide van belastbaarheid worden opgebouwd. Centraal in de thuisfase staat het afstemmen van de hulpvraag, oefenmogelijkheden en belemmerende en faciliterende factoren. Concrete onderwerpen die op basis van ervaring vaak genoemd worden zijn: het geven van informatie en het managen van verwachtingen, energiebeheer, het scheppen van voorwaarden voor het volgen van een trainingsprogramma in de eerste lijn, hervatten van ADL activiteiten en zijn andere paramedici nodig? OP basis hiervan kan een thuisprogramma gemaakt worden.

Fase 2: Revalidatiefase

Wanneer de patiënt hieraan toe is wordt de behandeling voortgezet worden in de praktijk van de fysiotherapeut. Het REACH netwerk geeft aan dat er zowel aandacht moet zijn voor algemene ‘basis’ fitheid alsook voor de specifieke situatie doelen of wensen van de patient. Concrete onderwerpen die vaak naar voren komen zijn: het bereiken van de benodigde fysieke voorwaarden, het creeren van goede randvoorwaarden (voeding, ergotherapie), coaching in het bereiken van zelfstandigheid, regie, functioneren in ADL, werk en het mentaal functioneren. Daar waar nodig wordt hulp gevraagd aan passende paramedicus (ergotherapeut, voedingsdeskundige, huisarts, etc.). In deze fase kan ook contact met de IC of IC-nazorgpoli zinvol zijn voor het verwerkingsproces. De behandelfrequentie is afhankelijk van de doelstelling, tussen de 2 en 3 keer per week.

Fase 3: Afsluiting en nazorgfase

In deze fase wordt vastgesteld of het doel ook in het dagelijks leven bereikt en duurzaam is. Of kan de patient hier zelfstandig mee aan de slag om het doel te bereiken. Bekende onderwerpen zijn bijvoorbeeld een acteive levensstijl, sociale activiteiten, sportieve ambities en arbeids(re)integratie. Het is belangrijk dat patienten weten waar hij/zij terecht kan met vragen. Een suggestie vanuit de werkgroep is het (na)bellen met de patiënt, drie tot vier weken na het stoppen van de behandeling.

Mogelijke behandelonderdelen

Gezien de diversiteit in hulpvragen wordt voor de behandeling van PICS patienten zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de informatie uit het REACH netwerk, literatuur, richtlijnen COPD, -hartrevalidatie, -oncologische revalidatie en de aanbevelingen van de ACSM.

In een expert consensus statement (Major et al., 2016) worden de volgende onderdelen voor de behandeling van PICS patiënten expliciet aanbevolen: functionele training, circuit- en duurtraining, krachttraining van de grote skeletspieren, training van de ademspieren, educatie over herstel en voeding. In de andere tabbladen bij dit onderwerp vindt u hierover tools en meer informatie.

Algemene opmerkingen over de fysiotherapeutische behandeling

– Op basis van onderzoek bij revalidatie van diverse groepen wordt gesteld dat trainen onder supervisie waarschijnlijk effectiever is dan training zonder supervisie.

– Over het trainen van deze patienten in groepsverband is niets bekend. Het lijkt aannemelijk dat dit efficiënt en effectief kan zijn. Gezien het beperkte volume zal het niet mogelijk zijn om een volledige groep met dit syndroom te vullen. Het mengen met andere diagnosegroepen is een mogelijkheid.

– Het REACH netwerk vraagt gedurende de behandeling aandacht te blijven houden voor problemen op het gebied van voeding (diëtetiek), ADL training (ergotherapie) en mentaal/cognitief functioneren.

– maak kleine en concrete subdoelen en maak de voortgang zichtbaar (afvinken, grafiekjes e.d.).

– Er is nog maar heel weinig bekend over de (opbouw van) trainingsparameters bij PICS patiënten. In het algemeen worden de normale fysiologische adaptaties gezien, en zijn de normale trainingswetten van toepassing. Hierbij opgemerkt dat het startniveau wel lager is en aandacht behoeft.

– Duurtraining op hoge intensiteit kan worden gebruikt bij patiënten die deze intensiteit kunnen verdragen of worden aangeboden in de vorm van intervaltraining om maximale effecten op de aerobe en anaerobe capaciteit te verkrijgen.

– Aangepaste Borgscores voor kortademigheid en vermoeidheid kunnen worden gebruikt om de trainingsintensiteit aan te passen.

– Frequentie van de training is afhankelijk van de individuele wensen en situatie van de patiënt. Ten aanzien van onderhoud van trainingseffecten wordt 1 liefst 2 trainingen aangegeven. Beter worden zou dan 2 tot 5 trainingen per week zijn. Voor weerstandstrainingen wordt 2, maximaal 3 keer per week aangegeven. Volgorde van opbouw is 1e trainingsfrequentie, 2e duur en 3e intensiteit optimaliseren.

Back To Top
×Close search
Zoeken